Evidence Based Therapy versus Empirically Validated Psychotherapy

Evidence Based Therapy versus Empirically Validated Psychotherapy

In de gedragsregels die verplichten tot goede kwaliteit van het beroepsmatig handelen, worden therapeuten aangemaand om te handelen naar aanvaarde wetenschappelijke inzichten en volgens professionele en ethische standaarden. Het betekent ook dat hulpverleners rekening moeten houden met recente ontwikkelingen in hun vakgebied.

De meningen over ‘goede kwaliteit’ zijn verdeeld: de tijdgeest, ideologieën en scholenstrijd beïnvloeden de geestelijke gezondheidszorg. Er is een toenemende tendens om kwaliteitszorg te vereenzelvigen met ‘evidence based therapie’ (Leijssen, 2003). Evidence based begon in de geneeskunde in de jaren tachtig van vorige eeuw. “Evidence based is het gewetensvol, expliciet en oordeelkundig gebruik van wat op dit ogenblik als beste wetenschappelijke kennis beschikbaar is, bij het nemen van beslissingen over de zorg voor individuele patiënten. Het veronderstelt de integratie van individuele klinische expertise met de beste externe klinisch-wetenschappelijke kennis uit systematisch onderzoek.” (Sackett et al., 1996, cit. In Pieters, 1999, p. 85).

Na vele jaren van onderzoek, waarin verschillende therapierichtingen vergeleken werden op hun effectiviteit, kan men vanuit de beschikbare wetenschappelijke kennis besluiten dat er gemiddeld genomen weinig verschillen zijn tussen gedrags-, cognitieve, psychodynamische, interpersoonlijke, cliëntgerichte en experiëntiële therapie; en waar men wel verschillen vindt, blijken ze in hoge mate samen te hangen met de therapieverbondenheid van de hoofdonderzoeker (Luborsky et al., 2002).

De grote verdienste van het vergelijkingsonderzoek tussen verschillende behandelingskaders is de empirische bewijsvoering dat diverse therapievormen in effectiviteit nauwelijks voor elkaar onderdoen en dat cliënten met therapie het significant beter doen dan niet-behandelde controlegroepen.

Deze steeds weerkerende bevindingen beletten niet dat sommigen de territoriumstrijd voortzetten en vanuit een machtspositie opteren om behandelingen te verbannen die (nog) niet empirisch gevalideerd zijn.

De laatste editie van Bergin and Garfield’s Handbook of Psychotherapy and Behavior Change  (Lambert, 2004), zowat de bijbel van het psychotherapieonderzoek, liegt er nochtans niet om (vrij vertaald door de AIHP):

  • “Wetenschappelijke standaarden voor praktijkvoering zijn eerder gebaseerd op de subjectieve indrukken van leden van comités dan op wetenschappelijke bewijsvoering …”
  • “Lijsten van empirisch ondersteunende behandelvormen, zijn statisch en blijken enkel een valse garantie voor effectiviteit te zijn …”
  • “Het succes van een behandeling blijkt zeer sterk afhankelijk te zijn van de relatie, werkalliantie en stijl tussen cliënt en therapeut en niet van empirisch ondersteunde behandelvormen …”

“Empirisch gevalideerde methoden bestrijken slechts een beperkt gebied van de rijk geschakeerde praktijk, en de realiteit van de hulpverlening is heel wat complexer dan het toepassen van een behandelprotocol.” (Leijssen, 2011).

Recent ‘outcome’onderzoek stelt dat een positief behandelresultaat staat of valt met het ontwikkelen van een goede werkrelatie, waarvoor therapeut- en cliëntkenmerken doorslaggevend zijn (Orlinsky, Rennesrad & Willutzki, 2004). Hulpverleners die geen positieve werkrelatie kunnen opbouwen, of in stand houden met hun cliënten, behalen, ondanks de beste therapeutische technieken, geen goede resultaten (Norcross, 2002).

Daarnaast blijkt dat diverse therapeutische benaderingen gebruik maken van specifieke technische interventies die helpend zijn in welomschreven situaties, maar dat de impact van die interventies vooral bepaald wordt door de persoon die ze uitvoert. Lambert en Ogles (2004) verkiezen dan ook te spreken over “empirically validated psychotherapists, rather than empirically supported treatment” (p. 169).

Zorg voor kwaliteit zou dan kunnen betekenen dat iedere therapeut regelmatig enkele objectieve metingen uitvoert om de effectiviteit van zijn behandelingen te toetsen. Een vragenlijst die weergeeft of de werkalliantie ok is, kan reeds in een vroeg stadium signaleren of een therapie voldoende kans maakt bij een specifieke cliënt.

Opleidingen zouden hulpverleners kunnen verplichten (enkele van) hun behandelingen te evalueren aan de hand van een eenvoudige ‘outcome’batterij en daarnaast ook meer in detail te bestuderen wat helpende en storende elementen tijdens de behandeling precies inhouden. De goede gewoonte om af en toe een systematische bevraging bij cliënten te doen om de behandelresultaten te evalueren, kan tot de verantwoordelijkheid van elke therapeut behoren.

Empirisch feitenmateriaal dat de werkwijze van hulpverleners ondersteunt, zou niet alleen afhankelijk mogen zijn van academische en economische eisen, het zou vooral een professionele stimulans en garantie moeten bieden voor verdieping en verdere ontwikkeling van behandelvormen die beantwoorden aan nieuwe maatschappelijke noden. De kloof tussen onderzoek en praktijk is alleen te dichten als er met meer zorg gekeken wordt naar de onderzoeksresultaten en er tevens rekening gehouden wordt met de verzuchtingen van practici die meestal met de beste inzet van zichzelf aan dit beroep begonnen zijn. Therapeuten kunnen niet herleid worden tot technici die op commando een programma uitvoeren. De meeste hulpverleners willen echter wel dankbaar gebruikmaken van onderzoeksresultaten, als ze ondervinden dat het resulteert in een daadwerkelijke verbetering van hun werkwijze. Maar de explosie van wetenschappelijke informatie is niet gemakkelijk te verwerken voor de reeds overvraagde practicus (Pieters, 1999).

Uitvaardiging van kwaliteitseisen lijkt evident, maar goedwillende hulpverleners komen in de realiteit terecht in een spanningsveld van conflicterende belangen: patiënten zien, administratie verzorgen, vakliteratuur bijhouden, teamoverleg … Waaraan de schaarse tijd bij voorkeur besteden? Het behoort tot de ethiek van de verantwoordelijkheid om bewuste keuzes te maken. Individuele hulverleners, maar ook de organisaties waarin zij werken en de samenleving als geheel moeten prioriteiten stellen, waarbij ze hun keuzes kunnen verantwoorden. Zorg voor kwaliteit impliceert dan, misschien paradoxaal, ook het omgaan met beperkingen en de erkenning dat mooie idealen in de praktijk niet altijd te realiseren zijn.

 

 

 

 

 

ABP-BVP Terug Actief in Hoge Raad voor de Zelfstandigen en KMO

De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO

Na een jaar afwezigheid, omwille van de nieuwe criteria van de FOD Economie, heeft de ABP-BVP opnieuw haar kandidatuur gesteld als lid van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO.

Wat zijn de voordelen van een erkenning?

  1. Deelnemen aan de werkzaamheden van de HRZKMOEen erkende organisatie krijgt een vertegenwoordiging in de Hoge Raad. Dat laat haar toe:
    • betrokken te zijn bij de werkzaamheden van de Raad;
    • problemen aan te kaarten die haar aangaan;
    • de adviezen van de Hoge Raad te beïnvloeden;
    • haar stem te laten horen op het federale beleidsniveau.
  2. VertegenwoordigingZowel voor de eigen en potentiële leden als voor privé- en publieke gesprekspartners, is de erkenning een bewijs van representativiteit en effectieve werking van een erkende organisatie.
  3. ZichtbaarheidWanneer de overheid rechtstreeks in contact wil treden met een beroeps- of interprofessionele organisatie, richt zij zich in de eerste plaats tot erkende organisaties. De erkenning kan soms een voorwaarde zijn om als organisatie in bepaalde commissies of raden te mogen zetelen.
  4. Bescherming van de titels verbonden aan de mandaten of functies bij de Hoge RaadEen strafsanctie is voorzien tegen iedere persoon die een van de titels gebruikt zonder er het recht toe te hebben.

 

Ledenlijst in Sectorcommissie 13 – Medische en Paramedische Beroepen: lijst

 

Ph. Vancken

ABP-BVP – Lid van UNIZO

ABP-BVP – Lid van UNIZO

Na een aanzienlijk traject, sollicitatie en persoonlijke voorstelling; werd de ABP-BVP (Belgische Vereniging voor Psychotherapie) aanvaard als lid van UNIZO  – Federatie Vrije Beroepen.

Zoals UNIZO zelf voorstelt, zullen zij begin september contact met de ABP-BVP opnemen om de associatieovereenkomst te tekenen. Ik citeer Gert Peeters – coördinator sectoren UNIZO-FVB: ‘Beste Philippe, ik stel voor dat we begin september opnieuw contact nemen om dit praktisch af te handelen (ondertekening met foto en persbericht, enz..).’

Wie een vorige post gemist heeft m.b.t. het belang van deze associatie met UNIZO-FVB, kan zich hier nog even ‘updaten’.


Ik kom graag terug op jullie vraag om aan te sluiten bij de Federatie Vrije Beroepen met onder andere de interesse om te participeren in onze werking voor de zelfstandige zorgverstrekkers.

Dit overleg van zelfstandige zorgverstrekkers groeide de laatste jaren uit tot een vaste waarde en gesprekspartner van andere stakeholders in de zorg, administraties en politiek. Zowel op Vlaams als Federaal niveau beweegt er veel en bekijken we samen met dit overleg hoe we ons daar best in profileren en hoe we nog verder kunnen professionaliseren. Om die reden zijn we een visie oefening opgestart rond dit overleg. Deze oefening gaat echter ruimer dan enkel dit overleg. Bedoeling is om onze huidige vergaderstructuur, werking en vertegenwoordiging tegen de lamp te houden en dit in te bedden in een grotere ‘zorgwerking’ rond UNIZO en de Federatie Vrije Beroepen, mét evenwel behoud van de elementen van het vrije beroep voor zorgverstrekkers.

Deze oefening wordt de komende maanden nog verder gezet en zal normaal afgerond worden einde van dit jaar. Maar dit mag geen rem zijn om jullie organisatie een werking aan te bieden vanuit de interprofessionele koepel van UNIZO.

Om deze redenen zou ons voorstel dan ook zijn dat jullie vanaf juli aansluiten bij UNIZO, met het oog op jullie inbedding in het grotere zorgverhaal van UNIZO en de Federatie Vrije Beroepen. Op deze manier krijgen jullie reeds dienstverlening vanuit dit grotere huis. We informeren jullie sowieso over wat er beweegt binnen ons zorgoverleg.

 

Ph. Vrancken

Terugbetaling Psychologische Begeleiding in Eerste Lijn

Terugbetaling Psychologische Begeleiding in Eerste Lijn

Recent maakte de regering, bij de nieuwe begroting, 22,5 miljoen vrij voor psychologische begeleiding in de eerste lijn. Over psychotherapie of psychotherapeuten werd niet gesproken. Voor zij die nog met vakantie waren kunnen het artikel uit Het Nieuwsblad hier lezen: artikel

De ABP-BVP (Belgische Vereniging voor Psychotherapie) reageerde middels een aangetekend schrijven naar het kabinet De Block, voorlopig echter zonder antwoord. Wij gaan er van uit dat de minister andere ‘eitjes te pellen’ had…

De ABP-BVP verwacht begin september toch wel een gepast antwoord op haar vraag tot uitnodiging op het kabinet. De ABP-BVP stelde het kabinet, in dit schrijven, ook voor, om dan tevens haar Platform Psychotherapie verder voor te stellen.

Ph. Vrancken

Nieuwe Website Online

Beste,

Eindelijk kunnen we de nieuwe website van de ABP-BVP online zetten. De Vlaamse site is bijna volledig afgewerkt. De Franstalige site is nog niet volledig klaar, we wachten op de laatste correcte vertalingen.

We verwelkomen jullie op deze ABP-BVP site en die van haar werkinstrument het Platform Psychotherapie en hopen u, op deze wijze, optimaal te kunnen blijven informeren over wat er zich aandient binnen het landschap van de Belgische – en Europese Psychotherapie. Surf regelmatig naar beide sites en u bent weer helemaal ge-update.

ABP-BVP